Kenniscentrum

Begrippenlijst

Hier vindt u een beknopte uitleg van een aantal technische termen die u kunt tegenkomen in de informatie over onze fondsen

A

Aandelen

Aandelen in bedrijven.

Aandelen

Zie gewone of preferente aandelen.

Absolute-returnfonds

Fonds dat wordt beheerd met het oog op het vergroten van de waarde over een bepaalde periode, ongeacht de marktomstandigheden.

Absolute-returnstrategie

Een beleggingsbenadering die ernaar streeft de waarde van een fonds over een bepaalde periode te vergroten, ongeacht de marktomstandigheden.

Actief beheer

De twee belangrijkste categorieën van beleggingsbeheer zijn actief en passief beheer. Een actieve fondsbeheerder gebruikt van onderzoek, analyse en zijn eigen oordeel om de beleggingen voor het fonds te selecteren.

Actief fonds

Zie actief beheer.

Actief risico

Sommige fondsen maken gebruik van een benchmark waarmee het rendement wordt vergeleken. Als de fondsbeheerder afwijkt van deze benchmark, wordt dit actief risico genoemd.

Activa (of vermogen)

Het geheel aan bezittingen van een onderneming of organisatie.

Active share

De active share geeft aan in welke mate (percentage) een fonds afwijkt van de benchmark. Een active share van 60% betekent dat 60% van een fonds afwijkt van de benchmark, terwijl de resterende 40% overeenkomt met de benchmark.

Afdekking (hedging)

Afdekking is een strategie om het risico in uw portefeuille te verminderen of over te dragen.

Alpha (alfa)

Alpha is een maatstaf van performance. Een positieve alpha geeft aan dat een fonds een beter rendement heeft behaald dan vergelijkbare fondsen of een benchmark.

Alternatieve beleggingen

Een categorie van niet-traditionele beleggingen. Deze omvat onder meer grondstoffen, infrastructuur, private equity, en venture capital.

Assetallocatie

De wijze waarop een belegging is verdeeld over beleggingscategorieën. Een fonds kan bijvoorbeeld een combinatie van aandelen, obligaties en liquide middelen aanhouden.

B

Balans

Boekhoudkundig overzicht van de financiële positie van een bedrijf.

Bank of England

De Britse centrale bank, die de rente vaststelt, bankbiljetten uitgeeft en fungeert als toezichthouder op het Britse financiële systeem.

Basisrente van de Bank of England

De rente waartegen de Bank of England geld uitleent aan instellingen.

Basispunt

In de financiële wereld veelgebruikte term wanneer wordt gesproken over rentes en percentages. Eén basispunt is 0,01%.

Bedrijfsobligatie

Obligatie uitgegeven door een bedrijf om geld aan te trekken. Het bedrijf komt overeen om rente te betalen en het oorspronkelijk belegde bedrag op een specifiek moment in de toekomst terug te betalen.

Beheerd fonds

Een beleggingsfonds dat doorgaans bestaat uit diverse andere fondsen. Een belegger belegt niet rechtstreeks in andere soorten effecten, maar profiteert van een bredere blootstelling aan aandelenklassen.

Beheerd vermogen

De totale waarde van de beleggingen die in een portefeuille worden aangehouden.

Beleggingscategorie (ook wel aandelenklasse genoemd)

Beleggingen kunnen worden onderverdeeld in vijf hoofdgroepen ofwel beleggingscategorieën: liquide middelen, obligaties, vastgoed, aandelen en alternatieve beleggingen.

Beleggingsdoelstelling

Een beschrijving hoe een fonds wordt beheerd en wat beleggers kunnen verwachten over een specifieke periode.

Beleggingsuniversum

De beschikbare beleggingen waaruit een beleggingsbeheerder kan kiezen, op basis van de beleggingsdoelstelling van een fonds.

Benchmark

Een maatstaf of standaard (over het algemeen een index of een marktgemiddelde) waartegen het rendement van een beleggingsfonds kan worden afgezet. Veel fondsen worden beheerd aan de hand van een vastgestelde benchmark.

Bèta

Meet in welke mate een fonds gemiddeld beweegt ten opzichte van de bredere markt. De bèta van een markt is 1, wat betekent dat een fonds met een bèta van meer dan 1 als onvoorspelbaarder wordt gezien. Een fonds met een bèta van minder dan 1 wordt beschouwd als minder onvoorspelbaar.

Beurs

Een erkende markt waar effecten vrijelijk kunnen worden verkocht en gekocht. Voorbeeld: de London Stock Exchange, de Londense beurs.

Beursgang (Initial Public Offering, IPO)

De eerste keer dat de aandelen van een bedrijf voor verkoop aan het algemene publiek worden aangeboden. De aandelen worden genoteerd aan een of meer erkende beurzen zodat ze door beleggers kunnen worden gekocht.

Bied-laatspread

Verschil tussen de aankoop- en verkoopprijs van een belegging in een fonds met een dubbele prijsstelling.

Bijna-geld

Effecten die niet de vorm van contanten/geld hebben, maar zeer snel daarin kunnen worden omgezet.

Blootstelling (exposure)

Het bedrag dat een fonds heeft belegd in een bepaald effect, of bepaalde markt of sector.

Bottom-up beleggen

Wanneer een beheerder de financiële achtergrond, het management en het potentieel van een bedrijf belangrijker vindt voor het maken van beleggingsbeslissingen dan algemene markt- of sectortrends.

C

Cijfer voor de lopende kosten (CLK)

Het cijfer van de lopende kosten is gewoonlijk gebaseerd op de kosten van het vorige jaar en kan van jaar tot jaar variëren. Het omvat vergoedingen zoals de jaarlijkse beheervergoeding, registratiekosten, bewaarkosten en distributiekosten van het fonds, maar omvat niet de kosten voor het kopen en verkopen van activa voor het fonds (tenzij deze activa aandelen zijn van een ander fonds). Een specificatie van de kosten vindt u op www.columbiathreadneedle.com/fees. In sommige gevallen kan het cijfer van de lopende kosten gebaseerd zijn op een raming van de toekomstige kosten, ofwel omdat de aandelenklasse/klasse van deelnemingsrechten relatief nieuw is en nog niet over genoeg gegevens beschikt om exact te kunnen worden berekend, ofwel omdat het niet waarschijnlijk is dat de historische tarieven de toekomstige lopende kosten nauwkeurig zullen weerspiegelen. Het jaarverslag van het fonds voor elk boekjaar zal nadere informatie over de exacte kosten bevatten. Lopende kosten met een asterisk (*) duiden op een raming.

Closed-end fonds (gesloten fonds)

Een fonds dat in bedrijven of andere aandelenklassen belegt. Het fonds heeft een vast aantal aandelen uitgegeven, en dit aantal verandert niet, ongeacht het aantal beleggers in het fonds.

Conjunctuur (economische cyclus)

De op- en neergaande beweging van een economie in de loop der tijd. De vier belangrijkste stadia van de conjunctuur zijn expansie, hausse, recessie en herstel.

Consumentenprijsindex (CPI)

Een maatstaf van inflatie, die de verandering in de kosten van een mandje van consumentengoederen en -diensten weergeeft. Dit omvat kosten in verband met vervoer, levensmiddelen en medische kosten.

Contract for difference (CFD)

Een type derivaat dat beleggers de mogelijkheid biedt om in te spelen op de koersontwikkeling van een onderliggende belegging. Als de waarde van het belegde geld over de betreffende periode groeit, dan betaalt de verkoper een percentage aan de koper. Maar als de waarde afneemt, dan moet de koper de verkoper betalen.

Correlatie

Een maatstaf van hoe de waardes van verschillende beleggingen ten opzichte van elkaar bewegen. Beleggingen met een hoge correlatie stijgen en dalen gezamenlijk in waarde, terwijl de waardes van beleggingen met een lage (of negatieve) correlatie veelal in verschillende richtingen bewegen.

Coupon

De periodieke rentebetaling die wordt betaald op een obligatie tot het einde van de looptijd.

Creditspread

Het verschil in inkomsten (rendement) tussen twee obligaties met vergelijkbare kenmerken – bijvoorbeeld looptijd – maar met verschillende ratings. Voorbeeld: als een 10-jaars gilt wordt verhandeld tegen een rendement van 1% en een 10-jaars Britse bedrijfsobligatie wordt verhandeld tegen een rendement van 3%, dan is de creditspread 200 basispunten (2%).

Cyclisch bedrijf

Een bedrijf waarvan de winst en koersontwikkeling relatief afhankelijk zijn van het tempo en het stadium van de economische groei.

D

Gemengd fonds (fund of funds)

Zie Beheerd fonds.

Defensief bedrijf

Een bedrijf waarvan de winst en koersontwikkeling relatief onafhankelijk zijn van het tempo en het stadium van de economische groei.

Derivaat

Een derivaat is een geavanceerd beleggingsinstrument dat gekoppeld is aan de ontwikkeling (stijging/daling) van de koers van andere effecten.

Diversificatie

Zie spreiding.

Dividend

Een betaling van een bedrijf aan de aandeelhouders, doorgaans in contanten. Deze betalingen worden vaak per kwartaal, half jaar of jaar gedaan.

Dividendrendement

Het jaarlijkse dividend per aandeel gedeeld door de huidige koers. Dit is bruikbaar voor het vergelijken van beleggingen.

Duration

Een maatstaf van de rentegevoeligheid van een obligatie, d.w.z. hoe sterk deze reageert op veranderingen in de rente. Hoe langer de duration, des te gevoeliger de obligatie.

Durfkapitaal

Zie venture capital.

E

Effecten

Obligaties, aandelen of derivaten die een waarde hebben en die kunnen worden gekocht en verkocht via een beurs.

Effectief rendement (obligaties)

Ook wel ‘yield to maturity’ genoemd. Dit zijn de verwachte inkomsten op een obligatie als deze tot de vervaldatum wordt aangehouden.

Esoterische beleggingen

Niet-gangbare beleggingscategorieën zoals kunst, meubels, klassieke auto’s en bosbouw.

Essentiële beleggersinformatie (EBI)

Een document dat bedoeld is om beleggers de kenmerken en risico’s van een fonds waarin zij mogelijk willen beleggen, te helpen begrijpen. Het is belangrijk dat potentiële beleggers voordat zij beleggen, de betreffende EBI goed lezen om een weloverwogen beleggingsbeslissing te kunnen nemen.

Exchange-traded fund (ETF)

Een ETF is een type fonds dat een mandje van verschillende effecten aanhoudt. Beleggers kunnen aandelen in het fonds kopen en verkopen, waardoor met een enkele transactie blootstelling wordt verkregen aan meerdere soorten effecten.

Ex-dividenddatum

Als een belegger een aandeel koopt op of na deze datum, dan heeft de belegger geen recht op de eerstvolgende dividenduitkering.

F

Fonds

Een vorm van collectieve belegging waarbij het geld van de beleggers wordt samengebracht en belegd in diverse beleggingen.

Fondsbeheerder

Een persoon die verantwoordelijk is voor het beheer van het vermogen in een fonds.

Fonds met dubbele prijsstelling (dual-priced fonds)

Een fonds met een dubbele prijsstelling heeft afzonderlijke prijzen voor aankopen (laatkoers) en verkopen (biedkoers) van participaties. De laatkoers is doorgaans hoger dan de biedkoers.

Fondsvolatiliteit

De mate waarin de waarde van een fonds in de loop der tijd verandert. Hoe groter en frequenter de veranderingen, des te volatieler het fonds.

Financial Conduct Authority (FCA)

De Financial Conduct Authority is de Britse toezichthouder voor de financiële sector.

Fundamentele factoren

Een manier om de financiële gezondheid van een bedrijf te bepalen door te kijken naar de financiële cijfers in plaats van naar de koers van de aandelen.

Futures

Wanneer een koper en een verkoper nu een prijs overeenkomen voor iets dat zij op een gespecificeerd later tijdstip verhandelen.

G

Geldmarktinstrument

Instrument dat kan zijn uitgegeven door een overheid of bedrijf om kapitaal voor zeer korte termijn aan te trekken. Deze instrumenten worden doorgaans beschouwd als kasequivalenten.

Gemengde portefeuille

Een portefeuille die aandelen en obligaties combineert om het risico te spreiden en het rendement te maximaliseren.

Geschatte verwateringsaanpassing

Wordt gebruikt om bestaande beleggers van het fonds te beschermen tegen de kosten die gepaard gaan met inschrijvings- en terugkooptransacties. De aanpassing wordt in de regel alleen uitgevoerd als de kosten significant zijn.

Gewone aandelen

Een categorie aandelen van een beursgenoteerd bedrijf dat de houder van de aandelen recht geeft om dividenduitkeringen te ontvangen en te stemmen op de algemene vergadering. In het geval van een faillissement of liquidatie kunnen deze beleggers pas aanspraak maken op de activa van een bedrijf na de houders van preferente aandelen en schuldeisers (crediteuren).

Gilt

Een obligatie uitgegeven door de Britse overheid.

Grondstoffen

Fysieke materialen zoals olie, landbouwproducten en metalen.

Guaranteed income bond (type obligatie in het VK)

Een levensverzekeraar geeft een obligatie uit in ruil voor een eenmalig geldbedrag of een maandelijkse premie. Dit levert beleggers vaste inkomsten op voor een specifieke periode, meestal tussen de zes maanden en 10 jaar.

H

Hedgefonds

Een alternatief beleggingsfonds dat diverse strategieën kan gebruiken om rendementen te leveren.

Hefboomwerking (leverage)

Hefboomwerking geeft aan dat een fonds een blootstelling heeft aan beleggingscategorieën of markten die groter is dan 100% van de intrinsieke waarde, doorgaans om het rendement te vergroten. Hefboomwerking kan ook aangeven hoeveel vreemd vermogen (schuld) een bedrijf heeft ten opzichte van het eigen vermogen. Zie ook Schuldratio.

Herbelegging van dividend

Wanneer dividend automatisch wordt herbelegd in extra aandelen in een fonds, in plaats van contant te worden uitbetaald.

High-yield obligaties (hoogrentende obligaties)

Bedrijfsobligaties die zijn uitgegeven door zwakkere bedrijven. Zie ook non-investment-grade obligaties.

Historisch rendement

Het dividendrendement van een fonds over een bepaalde periode. Dit wordt berekend door de uitgekeerde inkomsten over een periode te delen door de actuele koers van het aandeel.

Hoofdsom

De voorafbetaling (oorspronkelijke inleg) voor een obligatie die wordt terugbetaald op de vervaldatum.

I

Index/indices

Een methode om de gezamenlijke waarde van een groep effectente meten. De FTSE 100 Index, bijvoorbeeld, geeft in één getal de gecombineerde waarde van de 100 bedrijven die in de index zijn opgenomen.

Inflatie

Het tempo waarop de prijzen van goederen en diensten in de loop der tijd stijgen. In Nederland is de officiële maatstaf de consumentenprijsindex (CPI), in het Verenigd Koninkrijk de Consumer Price Index (CPI)).

Infrastructuur

Infrastructuur zijn de fysieke systemen van een onderneming of land — transport, communicatie, riolering, water, en elektrische systemen zijn allemaal voorbeelden van infrastructuur.

Instapvergoeding

Ook wel aankoopkosten genoemd. Dit is de vergoeding die op uw belegging kan worden ingehouden voordat in het door u gekozen fonds wordt belegd. Columbia Threadneedle Investments brengt geen instapvergoeding in rekening. Indien in de toekomst wel een instapvergoeding van toepassing wordt, zal deze beperkt zijn tot het percentage zoals vermeld in het Prospectus/de Essentiële Beleggersinformatie. Het is mogelijk dat sommige fondsendistributeurs, in tegenstelling tot Columbia Threadneedle, ervoor kiezen een instapvergoeding in rekening te brengen wanneer u onze fondsen via hen koopt. Zorg dat u weet of dit het geval is, voordat u belegt.

Illiquide effecten

Effecten die moeilijk kunnen worden gekocht of verkocht.

Instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe)

Een type fonds dat is gereguleerd op EU-niveau en dat een hoge mate van beleggersbescherming biedt. In overeenstemming met het concept van de gemeenschappelijke markt mag een dergelijk fonds dat in één EU-lidstaat is toegelaten, aan beleggers in andere EU-lidstaten worden verkocht (Europees paspoort).

Instelling voor collectieve belegging

Een fonds dat het vermogen van diverse individuen en organisaties combineert om een grote, gevarieerde portefeuille te creëren.

Intrinsieke waarde (IW)

De waarde van het vermogen van een bedrijf/fonds minus de verplichtingen.

Investment-grade obligaties

De hoogste kwaliteit van bedrijfsobligaties, zoals vastgesteld door een ratingbureau.

Investment trust

Een closed-end beleggingsfonds (zie closed-end fonds).

J

Jaarlijkse beheervergoeding

De vergoeding die u betaalt voor het beheer van uw belegging – doorgaans een percentage van het beheerd vermogen.

K

Kapitaal

Het totale vermogen van een persoon of bedrijf, minus de eventuele schulden of financiële verplichtingen.

Kasstroomoverzicht

Een overzicht van de in- en uitgaande geldstromen van een bedrijf over een bepaalde periode.

Koers (intrinsieke waarde)

De prijs waartegen de aandelen of deelnemingsrechten van een fonds worden gekocht of verkocht.

Koers-boekwaardeverhouding

Waarderingsmaatstaf die wordt berekend door de aandelenkoers van een bedrijf te delen door de waarde van alle effecten.

Koersontwikkeling

Het koersverschil tussen twee tijdsperiodes, zoals dagelijks, maandelijks, year-to-date (sinds het begin van het jaar), of de afgelopen 12 maanden.

Koers-winstverhouding (K/W)

Waarderingsmaatstaf die wordt berekend door de koers van het aandeel te delen door de winst per aandeel.

Kortetermijnbeleggen

Een kortetermijnbelegger belegt om een redelijk snel rendement op zijn geld te realiseren, voor een periode van een dag tot een à twee jaar.

Korting (tegen korting worden verhandeld)

Als de koers van een aandeel lager is dan de intrinsieke waarde per aandeel, dan wordt het aandeel tegen korting verhandeld.

Kredietbeoordeling (rating)

Een onafhankelijke beoordeling van de kwaliteit van een obligatie en de kredietwaardigheid van het bedrijf/de overheid.

L

Langetermijnbeleggen

Een langetermijnbelegger streeft ernaar minstens 5 jaar belegd te blijven, vaak met een langetermijndoel. Bij een belegging voor de lange termijn, is er meer kans dat de pieken en dalen op de aandelenmarkt op termijn elkaar compenseren.

Lijfrente

Een type verzekering die regelmatige inkomsten levert in ruil voor een betaling (een eenmalig geldbedrag of periodieke premies).

LIBOR (London Interbank Offered Rate)

Een vastgesteld rentetarief voor kortlopende leningen tussen banken onderling. Het LIBOR-tarief wordt veel gebruikt als referentierente (benchmark) voor kortlopende rentetarieven.

Liquide middelen

Kortlopende beleggingen die snel opeisbaar zijn, waaronder deposito’s, geldmarktinstrumenten en kortlopende staatsobligaties.

Liquiditeit

Geeft aan hoe moeilijk of gemakkelijk het is om een belegging te kopen of verkopen.

Longblootstelling

Wanneer een fonds met een long/short-aandelenstrategie een grotere blootstelling aan longposities heeft dan aan shortposities.

Longpositie

Een effect dat is gekocht in de verwachting dat de waarde ervan over tijd zal stijgen.

Long/short

Een strategie waarbij kan worden belegd in longposities om te profiteren van koersstijgingen en in shortposities om te profiteren van koersdalingen.

Lopende kosten (Ongoing Charges Figures)

De totale kosten van het beheer van een belegging, inclusief alle kosten en vergoedingen, uitgedrukt in een percentage.

M

Managed fund

Het verschil tussen de productiekosten van een product en de inkomsten verkregen uit de verkoop ervan.

Marktblootstelling

Het percentage van een fonds dat is blootgesteld aan een specifieke beleggingscategorie of sector, en daarmee aan de algemene marktrisico’s van deze beleggingen.

Marktkapitalisatie

Een maatstaf van de grootte van een bedrijf, berekend door het totale aantal aandelen te vermenigvuldigen met de huidige aandelenkoers. Bedrijven worden gewoonlijk naar grootte onderverdeeld in smallcap, midcap of largecap.

Marktrisico

De mogelijkheid dat een belegging door een algemene daling van de markten in waarde daalt.

Marktvolatiliteit

De mate van de koersontwikkeling van een markt in de loop der tijd. Een hogere volatiliteit betekent dat de koersveranderingen aanzienlijk en frequent kunnen zijn en in een korte periode kunnen voorkomen. Een lagere volatiliteit betekent dat de koersen relatief stabiel zijn en dat de veranderingen minder groot en minder frequent zijn.

Middellangetermijnbeleggen

Een middellangetermijnbelegger kan van plan zijn om 3 jaar of langer belegd te blijven.

Multi-assetfonds

Een mixfonds dat belegt in traditionele beleggingscategorieën (aandelen en obligaties) en soms in grondstoffen, vastgoed of hedgefondsen.

N

Netto- en brutoblootstelling

De mate van blootstelling van een portefeuille aan de markt. De nettoblootstelling wordt berekend door de shortblootstelling af te trekken van de longblootstelling. Voorbeeld: als een portefeuille 100% long en 20% short is, dan is de nettoblootstelling 80%. Om de brutoblootstelling te berekenen, wordt de waarde van de long- en shortposities opgeteld. Dus als een portefeuille 100% long en 20% short is, is de brutoblootstelling 120%.

Non-investment-grade obligaties

Obligaties van lagere kwaliteit dan investment grade, ook bekend als high-yield obligaties. Deze obligaties worden uitgegeven door bedrijven die als risicovoller worden beschouwd en daarom doorgaans een hogere rente betalen.

Niet-cyclisch bedrijf

Bedrijf waarvan de winst relatief onafhankelijk is van de economische cyclus.

O

Obligatie

Obligaties vormen een manier voor overheden en bedrijven om kapitaal op te halen. In ruil voor een voorafbetaling door beleggers (in feite lenen zij geld aan het bedrijf) zal een bedrijf jaarlijks rente betalen en de oorspronkelijke inleg op een vastgestelde datum terugbetalen. Ook vastrentende waarden genoemd.

Obligatie zonder rating

Een obligatie die geen rating heeft van een ratingbureau.

OEIC (Open Ended Investment Company)

Een type open-end fonds.

Omloopsnelheid van de portefeuille (op jaarbasis)

Omloopsnelheid van de portefeuille (op jaarbasis) – De snelheid waarmee het fonds activa koopt en verkoopt, gemeten als het percentage van de portefeuille dat door de fondsbeheerder jaarlijks wordt vervangen. Gemeten als (aankopen + verkopen) – (Inschrijvingen + Terugkopen) / Gemiddelde NIW.

Omzet

De opbrengst van de verkopen van een bedrijf over een bepaalde periode.

Onder de streep

Andere term voor winst of verlies (dit getal staat onder de streep, d.w.z. op de onderste regel, in de winst- en verliesrekening van een bedrijf).

Onderweging

Wanneer een portefeuille of fonds een lager percentage in een beleggingscategorie, sector, geografische regio of aandeel heeft belegd dan de index of benchmark.

Ontwikkelde markten

Landen met veelal gevestigde industrieën, een hoge levensstandaard en een stabiele economie. Deze landen worden beschouwd als veiliger om in te beleggen dan minder ontwikkelde markten.